0

Later, als ik groot ben

luiaard, peuter, puber,

Later, als ze groot zijn, dan kom ik bij ze op bezoek. Later, als mijn kinderen zelf vadertje of moedertje moeten spelen.
Dan zullen ze voelen hoe het was, voor mij.
Om mij te zijn, met hun.

Je zult maar mij zijn. Of een moeder in het algemeen.
Want moeder zijn is een moeilijk ding. Dat heb ik me onvoldoende gerealiseerd, vroeger toen ik puber was.
Toen leek me het wel leuk. Want ja, hoe moeilijk kan het zijn.

Op zich is het nog wel te doen, om moeder te zijn, alleen moet je dan geen kinderen hebben.

Of je moet het een beetje treffen. Met jezelf of met je kinderen. Ik ben nog aan het nadenken waar het bij mij op vastzit:

óf 1. ik heb moeilijk opvoedbare exemplaren

óf 2. ik heb van opvoeden nog niet zoveel terecht gebracht

óf 3. beide bovenstaande punten.

Misschien ben ik zelf nog teveel puber. Puber in het lijf van een moeder. Als ik snode plannen smeed en me nu al kan verheugen op mijn bezoek, bij hun later.

Ik stel me voor hoe dat zal gaan.
Als ik met vieze schoenen de achterdeur binnen stamp. En ze begroet met een onverstaanbare keelklank, terwijl ik, met mijn oordopjes in  ondertussen op het schermpje tuur en wat selfies maak van mij in de nieuwe omgeving.
Als ik neerplof ik op de bank of op een stoel en mijn benen op tafel gooi.

Al vroeg ik de middag vraag ik dan wat we gaan eten. Maakt niet uit wat het antwoord is, ik antwoord gewoon met: ‘Aaaaah, baaah, waarom geen pataaat?’

Ondertussen eet ik een banaan en leg de schil ergens neer. Bij de t.v. ofzo, of achter een stoel, zodat ie hopelijk wordt gevonden als ie hard zwart en opgekruld schilletje is geworden. En als ze ‘m dan vinden weet ik van niets. Ik geef gewoon de eerste de beste persoon die ik zie dan de schuld.
Ik denk dat ik stiekem nog wat snoepjes uit de kast eet, en koekjes, vooral lekkere en laat hier en daar wat kruimeltjes liggen. Als ze zich afvragen waarom er een lege verpakking ligt weet ik natuurlijk weer van niks, dat gebeurt gewoon.

Ik blijf natuurlijk mee-eten, maar vlak voor het eten klaar is, ga ik nog een boterham roosteren. En nog een. En als het meezit nog een, die ik dan bestrooi met suiker, voor de ultieme kruimelervaring. Daarna laat ik alles gewoon staan en liggen als ik wegloop.

Wanneer we echt gaan eten, kom ik gewoon net iets te laat. En dan zeg ik dat ik geen honger heb, eigenlijk. Ondertussen maak ik wat prikkelende opmerkingen tegen wie er wel of niet op zitten te wachten.
Tegen de tijd dat het tijd is voor een toetje heb ik opeens wel weer veel trek, dus daar neem ik weer lekker veel van.

Opeens bedenk ik dat ik blijf slapen, en laat ze fijn een bed opmaken op een logeerkamer. Ik leg vieze kleren gewoon makkelijk her en der op de grond. Overal wat, mooi verdeeld over de slaapkamer en badkamer. Ik poets mijn tanden terwijl ik op de wc zit en laat mijn tandpasta-speeksel links en rechts wat rond druipen voor mooie witte spateffecten in de badkamer.

Ja, ze zullen dolblij zijn als hun moeder komt.

Zou ik me, als het zover is, al mijn huidige irritaties dan nog kunnen herinneren?
Weet ik dan nog waar ik vroeger om moest zuchten?

Ik vergeet vaak verontrustend snel. Want nu al kan ik me nog maar met moeite herinneren hoe wanhopig ik soms was toen mijn kinderen huilden als baby. Behalve wanneer ik nu een baby hoor huilen.
Wanneer de poep op hun rug zat. Hoe dwars ze waren als peuter. Toen ze met hun kleverige vingertjes overal aanzaten en vieze afdrukken maakten op alle oppervlakken onder de 1 meter. Toen overal speelgoed lag en ik voor de zoveelste keer met mijn blote voeten op zo’n stom legoblokje stond.

Ik denk er nu vooral aan hoe schattig ze toen waren, met die dikke buikjes waar ik steeds in wilde prikken (niet te hard natuurlijk) Aan de zachte kussentjes op hun handen en die heerlijke zoete geur in hun nekjes. En hoe lief hun stemmetjes waren en wat voor grappige dingen ze zeiden.
Hoe ik soms mijn geluk niet op kon omdat ik me zo’n bofkont voelde dat uitgerekend ík de allerleukste kinderen van de wereld had gekregen.

Misschien herinner ik me later, als mijn kinderen vader en moedertje gaan spelen in het echte leven, van die tienerleeftijd alleen nog hoe levendig het toen was.
De rake opmerkingen, de lachsalvo’s en hoe ze me lieten lachen tot de tranen me over de wangen liepen. En hoe ze mijn taarten de lekkerste vonden. Hoe fijn die knuffels van hen waren en hoe gezellig het geklets. Hoe ik geamuseerd zag hoe snel ze groeiden. En dat ik geen moment kans had voor verveling.

En zelfs die onhandige maar liefdevolle stompen tegen m’n bovenarm, geworstel op de grond waarbij ik soms nog kon winnen. En denk ik dan zowaar met weemoed terug aan die blauwe plekken die ik daarbij had opgelopen, als indrukwekkende souvenirs op mijn armen.
En verlang ik naar de momenten op de bank voor de tv waarop ik opeens klem zat tussen een paar lieve kinderlijven. Warm, dat wel.

Maar lief, lief!

Zo lief zijn ze mij. Nu al.

En later, als ze groot zijn…

Dán kom ik bij ze op bezoek…
En geef ik ze eerst een heerlijke knuffel.

sloth hug

p.s. oh ja, ik wil dus ook ooit nog een keer een luiaard knuffelen.

Advertenties
0

Niemand wil niet

sloth

Het voordeel van een suffe oudere auto, is het hebben van een stuk minder zorgen.
Zolang ie niet al te oud is tenminste.

Natuurlijk deed het een altijd wel een beetje pijn wanneer we op een nieuwe 5e hands-auto een vers bijgekomen krasje zagen. Dat was echter maar even, het is maar relatief natuurlijk.
Zeker met een persoon als Niemand in de buurt, daarmee houd je immers niks krasvrij.

Wanneer Niemand weer ’s met een fiets of stepje met een stuur zonder handvat, een lijn schreef in de lak van de auto, die met een natgemaakte vinger niet meer weg te poetsen was, viel er echt wel ’s een lelijk woord, heus.
Maar ja, daarna maakte het toch niet meer uit.  En was het minder erg als ik met de achterkant in de bosjes reed. 

Een-bekraste-auto-Foto-Politie

Ik vermoed trouwens dat het diezelfde Niemand is die hier steeds de koekjes opeet, snoep-verstop-plekjes weet op te sporen, broodkruimels door het huis strooit, handafdrukken op de ramen en witte muren maakt, lichten aanlaat,  en de w.c. bij tijden laat verstoppen met rollen w.c. papier.

Maar onze auto,  waar ik liefde voor, noch een band mee voel, daar wordt al een paar dagen wel een hoop plezier aan beleefd. We horen een vrolijk gejoel en het slaan van de deuren.

Het blijkt dat onze jongste twee aan auto-tikkertje doen. Dat is een nieuw ontworpen spel met vage spelregels waarbij je in en uit de auto mag springen, er doorheen kan rennen en klimmen en de deur snel moet dichtslaan. Kortom; niet al te ingewikkeld en bere-leuk, aan het gejoel te horen.
‘Wat vinden we ervan?’ vragen man en ik nog even weifelend aan elkaar, waarna we schouderophalend zuchten ‘ach, ze hebben wel lol hè’ om vervolgens te verder gaan met stofzuigen/koffie drinken/poepsporen van de w.c.bril te boenen/de hond een aai geven/een doek over de vogelkooi met schreeuwende vogel gooien/ramen schoonpoetsen met glassex.

eendje

Bij tijden kijk ik wel eens, heel even, verlangend uit naar later.
Wanneer de hond van ouderdom gestorven is, de vogel ook op een vredige manier zijn laatste adem heeft uitgefloten, we de kinderen hebben uitgezwaaid naar een degelijk zelfstandig leven.
En ik vermoed zomaar dat Niemand tegen die tijd de buurt hier ook wel zal hebben verlaten.

En dan…
Dan zullen we geld voor een nieuwe auto overhebben.
Dan zal het huis schoon zijn. En zonder al teveel moeite schoon blijven.
Dan kan ik allerlei exotische gerechten koken die we allemaal met z’n tweeën lekker vinden.
Dan zal het hier eens heerlijk rustig zijn.
En een beetje saai ook misschien. Dat wel.

Maar vooralsnog zijn we er nog niet aan toe.
Wij niet. En Niemand niet.